Gees Kuit Advies
in opdracht van Stichting Stimuland Overijssel
februari 2006
Samenvatting
De centrale vraag van de Provincie Overijssel voor dit rapport is welk perspectief streekproducten bieden voor een duurzaam platteland en hoe de Provincie zich tot dit thema in de toekomst kan verhouden. Streekproducten zijn van economische waarde voor het platteland. ‘Staand beleid’ voor landbouw vanuit de centrale overheid is echter vooralsnog sterk gericht op export en de bestaande multinationale agroindustrie. Agrarische ondernemers starten met streekproducten omdat er een regionale en bovenregionale markt voor is. Streekproducten vormen een brug tussen de primaire landbouw en de verwaarding van andere kwaliteiten van het platteland. De agrarische sector zou zichzelf kunnen versterken door een brede gebiedsgerichte regionale samenwerking aan te gaan en/of via ketenontwikkeling samenwerken met het MKB en andere sectoren om hier invulling aan te geven. De decentrale (provinciale) overheid kan een belangrijke rol spelen via randvoorwaarden en in de sturing en ondersteuning van dit proces.
De definitie van streekproducten bestaat uit de herkomstbepaling (streek) van producten en/of de kwaliteit (streekeigenheid) van de productie producten. De streekeigenheid is een kwalitatieve meerwaarde die toegeschreven kan worden aan de bijzondere streekeigen en typische kenmerken van het product en de productiewijze. Consumenten vragen steeds meer om oorsprong-informatie dan om productinformatie, waarbij ecologische en sociaal-culturele aspecten een rol spelen. Belangrijk is dat producten een ‘betrouwbaar gezicht’ krijgen waarmee ook de kopers van die producten zich kunnen onderscheiden.
De Provincie Overijssel heeft voor de uitvoering van het speerpunt ‘verbreding en verdieping van de economische basis’ van de landbouw in de periode 2000-2005 ingezet op het stimuleren van de uitvoering van projecten voor de afzetversterking van streekeigen producten. De hoofddoelstellingen van de Provincie hiervan zijn:
• economische versterking
• sociale versterking
• ecologische verduurzaming
• innovatie
• stimuleren ondernemerschap in de landbouw
Stichting Stimuland heeft als hoofdaannemer van plattelandsprojecten in deze periode de afgelopen vijf jaar 7 projecten uitgevoerd (of zijn nog in uitvoering), van een totaalbedrag van circa 2 miljoen Euro, waaraan de Provincie ruim 570.000 Euro heeft bijgedragen. De ervaringen van de projecten die de afgelopen vijf jaar zijn uitgevoerd wil de Provincie gebruiken voor een strategische oriëntatie op het provinciale beleid ten aanzien van stimulering en ondersteuning van (regionale) vermarkting van streekproducten, zowel gangbaar als biologisch. Ook zijn een aantal projecten en ervaringen elders in Nederland, in het buitenland en projecten die niet door Stimuland zijn uitgevoerd in Overijssel belicht. Succesvolle projecten hebben direct of indirect bijgedragen aan het aanbod aan streekproducten en afzetconcepten zoals Eko Twente, Sallands Best, De Groene Marke, Stichting Dianthus, Vechtdalproducten, Condé Landvarken en het grensoverschrijdende project Lute en Lotte.
De projecten hebben op sterk uiteenlopende wijzen gewenste resultaten en effecten geboekt. De successen en knelpunten liggen op het vlak van de aanpak. Het advies is om te investeren in kennis, educatie en communicatie (praktijkkennis en opleiding, verspreiding van opgedane ervaringen en kennis over keurmerken), in organisatie (regionale allianties, samenwerkingsverbanden) en economische faciliteiten (ondersteuning van starters). Daarnaast zijn er ‘sleeping beauties’ die aandacht verdienen zoals concepten voor landbouw die passen bij de Reconstructie van de zandgronden, stimulering van agrobiodiversiteit, nieuwe diensten, maatschappelijke betrokkenheid en de samenhang met ruimtelijke ordening en nieuwe functies in het landelijk gebied.
Streekproducten zijn van betekenis voor een klein, maar groeiend aantal bedrijven in de landbouw en daarbuiten (met name plattelandshoreca). De economische betekenis in Overijssel wordt geschat op 3,5 miljoen Euro aan toegevoegde waarde van de producten, voortgebracht door ruim 200 bedrijven (dit is 2% van het aantal agrarische bedrijven in Overijssel en verhoudingsgewijs lager dan gemiddeld in Nederland: bijna 10 procent). De streekproducten van groenten, aardappelen, fruit, zuivelproducten en vlees worden hoofdzakelijk direct afgezet vanaf de boerderij af en gedeeltelijk via horeca en andere kanalen. Daarnaast hebben de korte ketens van regionale productie én afzet een meervoudig duurzaamheidseffect: economische en regionale werkgelegenheidseffecten voor meerdere sectoren (productie, verwerking, afzet etc.), relatief lagere milieubelasting door duurzame (biologische) productie en korte afstanden in de logistiek.
Ervaringen elders in Nederland en in het buitenland geven aan dat niet alleen de consumentenmarkt ontwikkeld moet worden, maar ook het aanbod (meer volume, meer producten) en er meer ‘matching’ op moet treden tussen vraag en aanbod. Daarbij is enerzijds een strategische krachtenbundeling nodig tussen organisaties om inhoud en sturing te geven aan het kwaliteitsbegrip van streekproducten. Anderzijds is ondernemend vermogen nodig om de potentiële markt aan te boren.
De projecten gedurende de laatste vijf jaar in Overijssel hebben bijgedragen aan vraaggericht produceren. Stimuland heeft sterk ingezet op de verbetering van de marktgerichte benadering van streekproducten en regionale afzet. Er is veel geëxperimenteerd met agrarische ondernemers, zowel individueel als in samenwerkingsverband en ketengerichte collectieven. Daarbij is de praktische ondersteuning en het bij elkaar brengen van partijen in de loop der jaren uitgebreid met het toevoegen van deskundigheid in marketing voor nieuwe producten, nieuwe marketingconcepten en in het vinden van organisatiestructuren voor promotie en ontwikkeling. Projecten van Leader+ en AKK (Stichting Agro Ketenkennis) hebben nieuwe diensten en nieuwe allianties gestimuleerd en bijgedragen aan een verdere verbreding in betrokken actoren op regionaal niveau.
Er hebben activiteiten plaatsgevonden om afzet te vinden bij het grootwinkelbedrijf (supermarkt) en via een klein samenwerkingsverband van agrarisch ondernemers. Het ontbrak hiervoor nog aan volume, assortiment en organisatie van het aanbod. Het supermarktkanaal biedt nog onvoldoende ruimte voor de communicatie van streekproducten. Slechts met een gerichte aanpak per regio en per product-marktcombinatie worden successen geboekt. De opgave is om deze successen te reproduceren en te verbeteren.
De belangrijkste resultaten en effecten worden geboekt via drie sporen:
1. afzet van agrarisch ondernemers zelf: vooral door gezamenlijke afzet van boerderijproducten via eigen winkels en via internet
2. ketenontwikkeling en innovatie: vooral door samenwerking met individuele en georganiseerde horecabedrijven en de ontwikkeling van nieuwe marketingconcepten
3. regionale aanpak: vooral door het draagvlak van een strategische regionale alliantie tussen branches en organisaties (actoren) van lokaal belang voor het platteland.
Directe afzet van streekproducten betekent een economische en sociale versterking van het platteland. Voorbeelden hiervan zijn diverse boerderijwinkels (met name biologisch) op het platteland, De Groene Marke (winkel in Ommen), Sallands Best (gezamenlijke promotie), Eko Twente (internetbestelling en logistieke dienstverlening). Agrarische bedrijven genereren hiermee inkomen en werkgelegenheid voor de (eigen) sector en voor bedrijven met wie zij samenwerken. De inkomens zijn erg variabel, maar wel substantieel. Het effect hiervan is dat deze bedrijven, variërend van agrarische ondernemingen tot aan winkeliers in dorpen en steden zich (beter) kunnen handhaven. Een schatting is dat via de meerwaarde aan streekproducten er ruim 100 fte aan werkgelegenheid met modaal inkomen is gehandhaafd. Tevens leveren streekproducten door innovaties nieuwe diensten. Een schatting is dat hiermee ongeveer 10 arbeidsplaatsen in Overijssel bij zijn gekomen, naast de (tijdelijke) projectbegeleiding.
Samenwerking tussen agrarische ondernemers onderling versterkt daarnaast in het beste geval de motivatie en het ondernemerschap. Directe afzet betekent ook korte en effectieve communicatielijnen tussen producent en consument over de herkomst en kwaliteit van de producten. Samenwerking in boerderijproducten levert meer volume en een groter assortiment. Producenten hebben ondersteuning nodig voor de marketing (product-marktcombinaties vinden), promotie (o.a. product- en bedrijfsfolders) en organisatie (werving producenten en besluitvorming).
Marketing van biologische producten is van belang voor het vergroten van ecologische duurzaamheid. Voorbeelden hiervan zijn Vechtdalproducten en Condé Landvarken. Bij het Vechtdalconcept wordt de aandacht gevestigd op de streekeigenheid en landschap, bij Condé Landvarken op de specifieke eindproducten. Door de streekeigen graanteelt (veevoer) wordt de regionale kringloop in productie en consumptie versterkt. Het vermarkten van de biologische keten draagt bij aan doelen van de Reconstructie. Niet alle duurzaamheidskenmerken zijn echter geschikt als marketinginstrument. Voor beter inzicht in de duurzaamheidseffecten van de ketens zou een regionale monitoring opgezet moeten worden.
Een regionale aanpak is belangrijk voor het streekgericht ondernemerschap. Een goed draagvlak van een regionale ‘alliantie’ van organisaties biedt vertrouwen (voorbeeld Vechtdalproducten, Stichting Dianthus). De lijnen voor promotie en kennis kunnen kort zijn en er is sprake van een gemeenschappelijk doel. Keten- en productontwikkeling op de schaal van de regio’s Twente, Salland, Vechtdal e.a. is nog lastig, omdat het op dit niveau vooralsnog moeilijk is gelijkgestemden te vinden. De consumentenmarkt is hoofdzakelijk lokaal pulbiek, horeca, toerisme en recreatie. ‘Regiomarketing’ en productmarketing zijn niet hetzelfde, maar kunnen elkaar wel versterken.
Ook de innovatie neemt toe door regionale samenwerking. Naast innovaties of ‘herontdekkingen’ in het productaanbod (zoals bijvoorbeeld de typische streekeigen producten van Lute en Lotte project) staan partijen in de keten en in de regio meer open voor elkaar om streekproducten te ontwikkelen, te ‘beleven’ en te vermarkten. Deze synergie levert ook innovatieve diensten op. De horeca bijvoorbeeld gebruikt de streekproducten behalve in de keuken ook voor dagrecreatie.
De toepassing van ICT zoals de administratie en logistiek bij Eko Twente is een duidelijk voorbeeld van een innovatieve dienstverlening. In de toekomst zullen integrale benaderingen zoals product- en dienstenuitwisseling tussen stad en platteland nog meer aanleiding geven voor innovaties in de streekproductensector.
De knelpunten liggen hoofdzakelijk op het vlak van kennis en faciliteiten voor agrarisch ondernemers. Deze groep is zich ondanks de stimulering met projecten nog onvoldoende bewust van kansen en onvoldoende op de hoogte van ervaringen elders. Er is daarnaast een gebrek aan (vertrouwde) netwerken op lokaal en regionaal niveau, er ontbreekt kennis over mogelijkheden voor typische streekproducten en de marketing, er ontbreken specifieke (ook financiële) bedrijfsfaciliteiten voor starters of startende nevenactiviteiten in deze branche, e.d.
Een tweede knelpunt is de ketenontwikkeling. Er is in het beginstadium, wanneer de omzetten laag zijn en de productie-, promotie en organisatiekosten hoog, behoefte aan krediet en investeringen met beperkt risico. In regio’s waar meerdere initiatieven ontwikkeld worden is afstemming nodig om te zorgen dat deze elkaar niet in de weg zitten door voldoende helder onderscheid te maken in de producten en de marketing.
Een derde knelpunt is het gebrek aan regionale consortia in andere gebieden van Overijssel dan het Vechtdal. Er is behoefte aan bevordering van de regionale identiteit en samenhang tussen regionale actoren. Ondernemers die iets willen, moeten regionaal een klankbord en stimulans hebben voor afstemming en ondersteuning. Daarnaast is er een verdieping nodig voor de verdere ondersteuning en ontwikkeling van streekproducten. Actieve betrokkenheid van consumenten, kenners en deskundigen zou bevorderd moeten worden. Belangrijke peilers hierin zijn kennis van productie, verwerking, gebruik, cultuurhistorie, (agro)biodiversiteit en landschap, waarmee toegevoegde waarde voor het platteland gecreëerd wordt. Een dergelijke kennisinfrastructuur op praktisch en regionaal niveau dient een koppeling te hebben met de regionale consortia.
Streekproducten kunnen van grotere sociaal-economische en innovatieve betekenis zijn voor het platteland. Er moet geinvesteerd worden in productontwikkeling door samenwerking en facilitering in de streek (innoveren) en daarnaast marktontwikkeling door communicatie, keurmerk voor typische producten, promotie en bundeling van producten en initiatieven. De strategie voor ondersteuning dient -parallel aan de drie ontwikkelingssporen- gericht te zijn op:
• ondernemerschap op het platteland
• innovatie in duurzame marktconcepten en integrale ontwikkeling
• opschaling
Voor de provincie is een duurzame sociaal economische versterking van het platteland een speerpunt. Daarom dient in alle activiteiten ter ondersteuning hiervan de regie zoveel mogelijk te liggen bij de ondernemers aan de basis. Voor dit doel is een regionale organisatie van deze doelgroep nodig. Een uitdagend keurmerk voor de typiciteit van de streekproducten kan een goed vehikel zijn om innovatie op productniveau te garanderen en meer ondernemerschap en samenwerking op lokaal en regionaal niveau te bewerkstelligen. Op gebieds- en ketenniveau is ook de ecologische innovatie interessant, o.a. voor regiomarketing. Deze dient bij voorkeur niet door een keurmerk, maar via monitoring worden gestimuleerd.
Er zijn rollen denkbaar voor verschillende partijen zoals de Provincie Overijssel, agrarische ondernemers, ketenpartijen, intermediairs, onderwijs en onderzoek. De Provincie kan een belangrijke rol vervullen in het bieden van kansen en het ondersteunen in taken en functies die nu onvervuld blijven. Deze liggen op het vlak van het ontwikkelen en duidelijkheid in beleid vóór streekproducten (erkenning en beleidsformulering) en vervolgens de vertaling daarvan in financiële, wettelijke en communicatieve instrumenten. Zowel de effectiviteit van beleid (eerste fase) als de kosten/baten analyse van instrumenten (tweede fase) heeft aandacht nodig. De aanbeveling is om te kiezen voor een brede aanpak: via voorlichting/ onderwijs/ onderzoek, subsidies of heffingen als via wet- en regelgeving/ vrijstellingen.
De rol van de provincie moet in samenhang gezien worden met de andere actoren. Er kan direct begonnen worden met kennis- en ervaringsuitwisseling tussen regio’s en branches (horizontaal en vertikaal) en communicatieondersteuning van agrarische bedrijven en producten. Ondernemers moeten actief geïnformeerd worden over de mogelijkheden in de wet- en regelgeving en over projecten. Eventuele koppelingen of samenwerkingsmogelijkheden dienen nadrukkelijk aan de orde te komen. Een belangrijke spil voor de organisatie vormt de initiëring en ondersteuning van regionale consortia. De provincie dient toe te zien op een regionale uitwerking (verbreding in organisatie) en de uitwerking per product (verdieping van de marktontwikkeling). Provinciebreed is een programma nodig dat ruimte biedt aan ondernemerschap aan de basis: ondersteuning van agrarische ondernemers met kennis en financiële middelen en een speciale startersregeling) en het faciliteren van de inzet van ondernemers die nieuwe diensten aanbieden in o.a. marketing en logistiek. Ook op het niveau van opleidingen in land- en tuinbouwsector is het aan te bevelen hiervoor een programma te starten.
Bouwstenen voor een strategische oriëntatie
1. Start van regionalisering en differentiëring
In een landbouwsituatie met dalende meeropbrengsten van een ‘overkill’ aan min of meer standaardproducten vormen streekproducten een alternatief in de richting van meer diversiteit en toegevoegde waarde voor het platteland. Er is een toegenomen dynamiek waar te nemen in de Provincie Overijssel van ondernemers en verwerkers van streekproducten. De schaal waarop dit gebeurt is echter nog vrij beperkt. In de Nota Kiezen voor Landbouw zijn efficientie en ondernemerschap sleutelwoorden voor de toekomst. Maar ook specialisatie en kennis in de sector. De ontwikkeling van typische streekproducten is hiervoor een belangrijke broedkamer, ook met het oog op een veranderende samenleving, nieuwe functies van het platteland en nieuwe behoeften van consumenten. Er is ruimte nodig voor het ontwikkelen van een structuur en organisatie voor deze nieuwe richting. De aanbeveling van het rapport is om verder te kijken dan het oplossen van knelpunten tussen vraag en aanbod in de markt. Het gaat om nieuwe verbindingen en andere waarden.
2. Transparantie in communicatie en doelen met keurmerk
Eén van de kernpunten van een strategische oriëntatie is de nationale ruimte voor een grondiger aanpak van certificering. Deze gaat in op de specificiteitseisen, vergelijkbaar met het Zuid-Europese (franse) Appellation Contrôlée-systeem en het Europese systeem voor Beschermde Oorsprongsbenaming. De Provincie Overijssel kan hier een voortouw in nemen. Met name de opzet en eerste resultaten van het project Lute en Lotte biedt hier de geschikte handvatten toe. Een Europese erkenning staat echter nog wat ver van ons af (er zijn nog maar een handjevol Nederlandse producten erkend) en zou dichterbij gehaald kunnen worden door een ‘vertaling’ naar een Nederlandse erkenning, als voorpost voor de Europese erkenning en ter aanvulling op het huidige SPN-keurmerk voor streekproducten. Meer dan ‘professionaliseren en opschaling’ van de markt is deze communicatie en sturing nodig op de koers. De lat moet hoger liggen en breder becommentarieerd kunnen worden. Hiervoor is meer grondigheid, meer deskundigheid en meer onafhankelijkheid nodig in de commissies voor keurmerken. De deskundigheid behelst met name de kennis rond de relatie tussen de productkwaliteit en de biogeografische diversiteit. Ook is er meer gelegenheid geboden voor het naar buiten brengen en bediscussiëren van de typiciteit en meerwaarde. De Provincie kan hierin bijdragen door een certificeringsprogramma voor streekproducten te ontwikkelen en af te stemmen met het Hoofd Productschap Akkerbouw en de regionale koepelorganisaties. Meer aanvragen zullen ook de kosten doen dalen voor certificering.
Duurzaamheidskenmerken zoals SNP hanteert die niet direct te maken hebben met de typiciteit van het product zouden apart als monitoring per streek bijgehouden kunnen worden en gebruikt kunnen worden voor regiomarketing.
3. Behoefte aan land, landbouw en streekproducten bij consumenten
Het is aangetoond dat consumenten en grootafnemers behoefte hebben aan producten uit de eigen streek, van het ‘eigen’ platteland, en naast deze bijzondere, herkenbare herkomst liefst een uniek product willen dat onderscheidend vermogen biedt. Het gaat daarbij niet alleen over de producten, maar vooral over de informatie over de producten en achtergronden. De communicatie over unieke eigenschappen, streekkenmerken, cultuur en historie over de teelt, ontstaans- en bereidingswijze etc. schiet te kort voor de toenemende bewustwording van consumenten. Deze is niet slechts ‘conservatief’ en gericht op behoud van traditionele landschappen, maar ook gericht op nieuwe ontwikkelingen. Algemeen gesteld wordt de betrokkenheid van producenten, koks en consumenten met de leefomgeving groter en maakt in haar totaliteit onderdeel uit van de landbouwproducten en onze leefstijl.
4. Ontwikkeling door en voor het platteland
Het schiet misschien haar doel voorbij indien een professionaliseringsslag voor streekproducten geheel of grotendeels overgelaten wordt aan de spelers in het tussensegment tussen producent en consument (groothandel, industrie en ‘het’ MKB). De ontwikkeling en trend in streekproducten is gelegen in de verkoop van producten van de boerderij uit een bepaalde streek. De landbouw als activiteit en beleving en de landbouwer als de expert van het product staan hierbij centraal. Professionalisering van de schakeling tussen producent en consument is nodig, maar kan niet door de tussenschakels worden overgenomen, omdat dan de meerwaarde van het authentieke verdwijnt en de kans groot is dat de betekenis voor duurzame ontwikkeling van het platteland teniet gedaan wordt. Wel kan een dergelijke professionalisering betekenis hebben als de verbeteringen in samenwerking gaan met de producenten en afnemers en aansluiten bij de tendens van maatschappelijk ondernemen, zorg en aandacht voor milieu, voeding en leefomgeving. Een keurmerk voor de herkomst en typiciteit van het product en een monitoring voor de ecologische en sociale duurzaamheid helpen de geloofwaardigheid en eenduidigheid in de communicatie te bewerkstelligen.
5. Ondersteuning nodig om zowel de producten als de streek te ontwikkelen
Een advies van het rapport is om te investeren in streekproducten. Hierbij gaat het om een push én pull-strategie: gericht op de ontwikkeling en afzet van streekproducten (vertikaal georganiseerd, aanbodgericht, ‘push’) en er regionale allianties voor het vergroten van draagvlak en promotie (horizontale organisatie, vraaggericht, ‘pull’).
Hierbij kan aangesloten worden bij een task-force aanpak voor de opschaling van markt- en ketenontwikkeling zoals door het koepelproject streekproducten in Nederland is aanbevolen. Echter met dien verstande dat er in Overijssel vooral ook ‘gezaaid’ moet worden, zowel in ondernemerschap als in organisatiestructuur, omdat hier streekproducten zich meer in een ontwikkelingsfase bevinden en nog niet echt in de opschalingsfase. Dit betekent dat de aanpak in nauwe interactie met de regionale initiatieven moet plaatsvinden en gericht moet zijn op actieve, praktische kennisverspreiding en ondersteuning voor startende ondernemers en startende regio’s.
6. Integrale ontwikkeling tussen stad en platteland bevorderen
De ontwikkelingsrichting van streekproducten en betekenis ervan voor het platteland heeft tevens te maken met andere parallelle ontwikkelingen ten aanzien van het buitengebied van Overijssel. Ten eerste is de stadsontwikkeling weer meer gericht op het platteland: diverse functies van recreatie, wonen en werken worden in het buitengebied geprojecteerd. Er wordt geknabbeld aan het idee van de compacte stad en er wordt meer gepraat over ‘landstedelijk’ ontwerpen en de relatie tussen stad en platteland. Deze discussie wordt echter vooral op papier en vanuit de planologie en de steden gevoerd, waarbij de participatie van de huidige landbouw, plattelandsbeheerders -en gebruikers nog achterblijft. Er is een kans voor een duurzame landbouw door regionale landbouwontwikkeling en de leerpunten van streekproducten te gebruiken. Ook landgoederen vormen vanwege hun diversiteit in functies, netwerk, cultuur, historie en activiteiten wellicht ‘cases’ om te experimenteren in uitwerkingen van deze verbinding.
7. Agrariër en consument zoeken elkaar op
Vanuit de agrariërs is er een ontwikkeling nodig richting organisatie en aanpak van de consument. Agrarische ondernemers hebben voordeel bij samenwerking op het gebied van de afzet van hun boerderij- of streekproducten op regionaal niveau. Hiermee behalen zij een grotere markt en economisch marktaandeel en creëren eigen werkgelegenheid. De agrarisch ondernemers hebben behoefte aan draagvlak, stimulering en erkenning om te investeren in deze sector. Op dit moment is slechts een klein aantal ondernemers op het platteland trekker van initiatieven en ontwikkelingen. Met een duwtje in de rug voor initiatieven, individuele ondernemers en regio’s kan het zijn dat het stimulerend effect groot is. Tijd kunnen vrijmaken naast de huidige bezigheden is één van de belangrijkste bottlenecks voor nieuwe activiteiten. Deze tijd kan gekapitaliseerd worden voor huidige ondernemers om zich te oriënteren en goede plannen te maken. Ook in samenwerkingsverbanden kan ondersteuning daarop gericht zijn en scenario’s doorgerekend. Daarnaast is investering nodig in de toekomst via opleiding en onderwijs op het gebied van diversiteit in de landbouw, verwerking, ketens, markt en consument.
8. Belang van en voor horeca
Voor de horeca is het platteland steeds meer van belang als item van beleving. Omgekeerd is de horeca voor plattelandsondernemers van belang voor promotie van de streek en producten. De partijen vinden elkaar in bijzondere activiteiten in het buitengebied van agrariërs en rondom de landbouw, als interessant aanbod van dagrecreatie voor de gasten of als product met verhaal aan tafel. Ook hier speelt het onderscheidend vermogen van het platteland een rol: de beeldkwaliteit van het landschap en de activiteiten vormen een palet waaruit de horeca haar visitekaartje samenstelt. Dat kan voor sommigen traditioneel, voor anderen ultramodern zijn, als het maar bereikbaar en toegankelijk is. Een klein aantal horecaondernemers is nu echt actief met deze vorm van regiomarketing en gebruik van streekproducten. Stimulering zou kunnen plaatsvinden door het intensiveren en uitbreiden van contact binnen en tussen de partijen onderling, maar ook in confrontatie met het publiek, door middel van product- en bereidingsdemonstraties en informatie (bedrijfs- en productfolders). Deze demonstraties, beurzen, promotiemarkten etc. is ook een ontmoetings- en leerplek.
9. Agrarische onderneming niet loszien van MKB en vice versa
Ook voor het MKB (verwerkers, winkeliers e.a.) en nieuwe dienstverleners (distributeurs, marketingbureaus e.a.) liggen er mogelijkheden in de markt voor streekproducten. Het is een voordeel in de communicatie en het zakendoen als deze bedrijven een gevoel voor de streekproductmarkt hebben door hun afkomst of ervaring (uit de landbouw). Maar omgekeerd geldt dit natuurlijk ook: agrarisch ondernemers met gevoel voor de markt en dienstensector hebben een streepje voor in de ontwikkeling. Voor de stimulering van streekproducten is het belangrijk dat partijen bij elkaar worden gebracht en open staan voor elkaar. Ook de rollen en taken per ondernemersgroep zijn niet statisch. Een boer kan best een verwerker of marketeer worden, terwijl iemand uit bijvoorbeeld de vervoerssector een goede agrarisch ondernemer kan worden. Binnen samenwerkingsverbanden van agrarisch ondernemers is een dergelijke functie- en taakverdeling in de organisatie van de afzet van streekproducten al aan de orde. Programma’s en projecten vanuit verschillende invalshoeken opgezet (zoals van Stimuland, LNV/Laser, Provincie, gemeentes Leader), zouden elkaar op regionaal niveau meer moeten versterken en als potjes misschien samengevoegd worden om tegemoet te komen aan flexibiliteit in de ontwikkeling. Het investeringsbudget landelijk gebied (ILG) is een dergelijk streven. Een deel hiervan zou besteed kunnen worden aan de ontwikkeling van streekproducten.
10. De markt voor streekproducten breidt zich uit naar het Oosten
Algemeen gesteld is er bij de agrarisch ondernemers met streekproducten veel vertrouwen in deze markt en in elkaar. Bij ondernemers die nog moeten starten moeten de partijen elkaar nog weten te vinden. Er zou meer ruimte moeten komen om van elkaar te leren, te experimenten, een activiteit op de pakken en een onderneming te beginnen. Er is door de huidige ondernemers met streekproducten in Overijssel herhaaldelijk gezegd dat de markt ‘groot genoeg’ is en vanuit het Westen meer naar het Oosten opschuift. Bedrijven zouden zich meer moeten profileren en naar buiten treden. Er heerst nu nog vrij veel koudwatervrees.
11. Regionale organisatie goed voor milieu en maatschappij
Streekproducten ontwikkelen betekent ook de organisatie in de regio ontwikkelen. Een regionale bestuursvorm of alliantie tussen partijen biedt tevens een landings- en uitvoeringsplek voor gebiedsdoelen op het vlak van duurzaamheid, uitwerking van Landschapsplannen, activering van de lokale politiek en gemeente en dergelijke. Met deze activering kan mogelijk een toegevoegde waarde aan de producten gecreëerd worden die geen extra belasting inhouden voor het milieu en maatschappelijke doelen, maar op het niveau van keten en gebruikers juist een verbetering kunnen inhouden.